Stemmen uit het verleden

Luther over goede schoolmeesters

Rondom de herdenking 500 jaar Reformatie is er momenteel veel aandacht voor Maarten Luther. Nu ligt de betekenis van Luther vooral op het terrein van kerk en theologie, al had de Reformatie ook belangrijke gevolgen voor de maatschappij. Hij was theoloog en geen pedagoog. Hij hoort dan ook niet thuis onder de grote denkers die van betekenis zijn geweest voor onderwijs en opvoeding. Dat wil echter niet zeggen dat Luther niet nagedacht heeft over het onderwijs van zijn tijd. Er zijn namelijk twee geschriften van zijn hand, die betrekking hebben op het onderwijs.

Tekst: dr. L. (Leunis) van Klinken

In zijn Aan de raadsheren van alle steden in Duitsland uit 1524 wijst hij de overheid erop dat zij christelijke scholen dient op te richten en in stand moet houden.
Daarnaast heeft Luther een preek uit 1530 nagelaten, waarin hij de ouders wijst op de plicht hun kinderen naar school te sturen. In deze preek wijst Luther er ook op hoe belangrijk de onderwijzer is. Luther heeft daarnaast de ouders gewezen op hun opvoedingsplicht. Hij doet dat onder andere in zijn Grote Catechismus bij de bespreking van het gebod om vader en moeder te eren.

De eerste hierna opgenomen tekst van Luther is afkomstig uit de Grote Catechismus (Martinus Luther, De Groote Catechismus. Zaandam 1786, pag. 95-98, hertaald).
Het tweede citaat over de schoolmeester is afkomstig uit de genoemde preek. (Een preek dat we de kinderen naar school moeten sturen, pag. 83-84. In: Herman J. Selderhuis, Luther verzameld, deel II, Utrecht 2016).

‘….en dat de ouders hun kinderen, dienstboden en onderdanen, enz. niet alleen lichamelijk voeden en verzorgen, maar ook, wat het meeste is, tot Gods lof en eer opvoeden. Daarom moet u niet denken dat dit in uw eigen welbehagen en verkiezing bestaat, maar dat God het ernstig geboden en opgelegd heeft Die gij dan ook zult moeten rekenschap geven. Edoch, daar zien we nu wederom die jammerlijke plaag, dat niemand zulks achtervolgd noch acht: men gaat heen, als gaf ons God slechts kinderen, om ons vermaak en plezier aan dezelve te hebben: de dienstboden, om ze maar als een koe en ezel tot de arbeid te drijven en te gebruiken; of met de onderdanen naar onze moedwil te leven. Niemand ook bedenkt, dat het een bevel is van de hoogste Majesteit, dewelke zulks met ernst zal eisen en wreken, noch ook, dat het noodzakelijk is, dat men zorg draagt voor de opvoeding van de jeugd. Want indien wij hupse bekwame lieden willen hebben, beide tot de wereldse en kerkelijke regering, zo moeten wij zeker geen vlijt, moeite noch onkosten, aan onze kinderen sparen, om dezelve te leren en op te voeden, opdat ze God en de wereld dienen mogen. Wij moeten niet alleen denken, hoe wij hen geld en goed zullen bezorgen en vergaderen, nademaal ze God wel zonder ons kan onderhouden en rijk maken, gelijk Hij ook dagelijks doet, maar ook (daarom heeft Hij ons kinderen gegeven en toevertrouwd) hoe wij ze naar Zijn wil zullen opvoeden en regeren, anderszins behoefde hij geen vader en moeder. Daarom wete een ieder dat hij bij verlies van Gods genade verplicht is zijn kinderen vooral tot Gods vreze en kennis op te trekken en indien ze enige bekwaamheid hebben, dezelve in wetenschappen te laten onderwijzen en studeren opdat men ze waar de nood vereist, kan gebruiken. Deed men zo, dan zou God ons ook overvloedig zegenen en genade geven, dat men zulke lieden opkweekte waarvan het land en de lieden gebeterd worden. En bij naarstige waarneming van deze tucht zou men in ’t kort zien opkomen fraaie wel opgevoede burgers, kuise en huishoudende vrouwen die in het vervolg vrome kinderen en dienstboden zouden hebben. Overdenk dat nu eens bij uzelf welk een gruwelijke daad gij bedrijft, wat ijselijke schade gij veroorzaakt, als gij hier in nalatig zijt dat uw kind nuttig en heilzaam opgevoed wordt, bovendien alle zonden en toorn op u haalt en dus de hel aan uw eigen kinderen verdiend, of gij al anderszins vroom en heilig leeft. Derhalve terwijl men zulks veracht, straft God de wereld zo verschrikkelijk dat men geen tucht noch vrede heeft waar over wij allen klagen, maar we zien niet dat het onze schuld is. Want gelijk wij ze opvoeden zo hebben wij ook weerspannige en ondeugende kinderen en onderdanen.’

‘Ik zou dit kort willen zeggen: een vlijtige, eerbare schoolmeester of magister, of wie het ook is die jongens trouw onderwijst en leert, die kan nooit genoeg beloond en met geld betaald worden, zoals ook de heiden Aristoteles zegt. Toch wordt dit werk bij ons zo schandelijk veracht, alsof het helemaal niet zou zijn, en toch willen we christenen zijn. Want ik weet dat dit beroep naast het predikambt het nuttigste, belangrijkste en beste is. Ik weet nog niet eens welke van deze twee het beste is. Want het is moeilijk om oude honden tam te maken en oude schurken vroom. Dat is het werk van het predikambt, wat vaak tevergeefs is. Jonge boompjes kun je beter buigen en opvoeden, hoewel ook sommige daardoor breken. Laat het liever een van de grootste deugden op aarde zijn om de kinderen van andere mensen op te voeden.’