Om het bestaansrecht van christelijk onderwijs

Historisch besef

Tijden veranderen, ook in onderwijsland. De politiek discussieert over de toekomst van het onderwijs. Onderwijs2032 raakt bestuurders van scholen, en vooral degenen die voor de klas staan. Voor christelijk onderwijs zal niet de eerste vraag zijn of de vrijheid van onderwijs in stand blijft, maar hoe scholen in een veranderende tijd trouw kunnen blijven aan hun roeping. Dat vraagt in elk geval om historisch besef.

Tekst: Dr. A. (Bram) Kunz

Op 29 november 1954 inaugureert de Britse apologeet C.S. Lewis als hoogleraar in de Engelse taal van middeleeuwen en renaissance in Cambridge. In zijn rede hekelt hij het gebrek aan historisch besef in zijn tijd. De belangrijkste oorzaak is voor Lewis het feit dat de Westerse mens zich van God heeft losgemaakt. Aan het slot van zijn lezing spreekt hij zijn overwegend moderne gehoor toe. Onderwijs over neanderthalers krijg je liever niet van een neanderthaler, en over dinosaurussen al helemaal niet van een dinosaurus, aldus Lewis. Maar, zo vervolgt hij, zou daarmee alles gezegd zijn? Als er eens een dinosaurus met z’n lange lijf het laboratorium kwam binnenschuiven, zouden we dan onder het wegvluchten niet even omkijken? Wat een kans om eindelijk te weten hoe hij werkelijk beweegt, hoe hij ruikt en eruitziet en wat voor geluiden hij maakt. En als de Neanderthaler kon spreken, zouden we dan niet, al zou zijn didactiek misschien te wensen overlaten, vrijwel zeker dingen van hem leren die de beste moderne antropologen ons nooit hadden kunnen vertellen? De moraal van dit verhaal: we kunnen leren van de geschiedenis. Wie ermee in aanraking komt, die wordt erdoor aangesproken. Dat kan door boeken, door een museumbezoek, door een oude kathedraal niet alleen binnen te gaan, maar die te ondergaan.

Geschiedenis
In de hedendaagse politiek gooit het vak geschiedenis geen hoge ogen. Onderwijs2032 gaat over toekomstgericht onderwijs. Het veranderde curriculum wordt gepresenteerd als “nieuwe accenten voor de toekomst”. In dat hele verhaal krijgt het vak geschiedenis slechts een marginale plaats, samen met aardrijkskunde en biologie. En daarbij is de betekenis van het vak drastisch ingeperkt: gebeurtenissen van nu en uit het verleden hebben impact op de samenleving. Blijkbaar hebben mensen een basale kennis van de geschiedenis nodig om het heden te kunnen begrijpen. Dat het verleden daarnaast een spiegel is die het heden inspireert of onder kritiek stelt, blijft onbesproken. Alsof mensen van nu toch los verkrijgbaar zouden zijn.

Goed onderwijs
Nu hoeven we met betrekking tot politieke ontwikkelingen ten aanzien van het onderwijs niet meteen in de kramp te schieten. Onderwijs is een dynamisch proces, en daarbij doen de tijd en de cultuur altijd mee. Scholen staan immers niet onder een glazen stolp, ook behoudende christelijke en reformatorische scholen niet. Zo’n glazen stolp moeten christelijke scholen zich daarom niet laten aanpraten, alsof ze wereldvreemd zouden zijn. De inrichting van het onderwijs ziet er vandaag anders uit dan vijftig jaar geleden. En dat is maar goed ook, want als scholen de verbinding met het heden niet maken, zouden ze kinderen en jongeren niet kunnen voorbereiden op een plek in de maatschappij. Dit alles betekent dat schoolleiders en leraren de ontwikkelingen in Den Haag moeten volgen, en zich bijvoorbeeld aan de hand van Onderwijs2032 een mening moeten vormen over goed onderwijs voor de toekomst.

Voorwaarde
Daarbij is historisch besef echter wel een belangrijke voorwaarde. Scholen die alleen meedeinen op de golfslag van de tijd, lopen het gevaar om te vervreemden van hun missie en hun doel. Christelijk onderwijs kan vandaag alleen in rapport met de tijd zijn als ze een stevig verankerd commitment heeft met het verleden. Niet om dat verleden te verheerlijken, maar om vanuit het verleden gefundeerd in het heden te staan, met de blik op de toekomst. Voor christelijke scholen betekent dit dat ze nieuw personeel duidelijk maken wat de missie van de school is, en hoe deze is ontstaan. Kennis krijgen van de ontstaansgeschiedenis moet een onderdeel zijn van het inwerktraject. Juist die geschiedenis maakt immers dikwijls duidelijk wat de idealen van de oprichters destijds waren. Niet alleen de onderwijskundige idealen, maar ook het grote ideaal: om kinderen in christelijke zin te onderwijzen, en zo bij te dragen aan hun vormingsproces. Een begrip als persoonsvorming komt, in het voetspoor van Gert Biesta, voor in het rapport van de commissie-Schnabel. Het was echter al aan de orde bij de stichting van scholen op Bijbels-gereformeerde grondslag; ook als dat begrip toen niet werd gebruikt. Het ging immers om de vorming van de mens als persoonlijkheid die God naar Zijn Woord dient, om de bekende definitie van VU-pedagoog Jan Waterink te gebruiken. Het zou een interessante exercitie zijn om als school na te gaan wat de idealen waren van de stichters van destijds, en die naast onze eigen idealen te leggen.ten aanzien van het onderwijs niet meteen in de kramp te schieten. Onderwijs is een dynamisch proces, en daarbij doen de tijd en de cultuur altijd mee. Scholen staan immers niet onder een glazen stolp, ook behoudende christelijke en reformatorische scholen niet. Zo’n glazen stolp moeten christelijke scholen zich daarom niet laten aanpraten, alsof ze wereldvreemd zouden zijn. De inrichting van het onderwijs ziet er vandaag anders uit dan vijftig jaar geleden. En dat is maar goed ook, want als scholen de verbinding met het heden niet maken, zouden ze kinderen en jongeren niet kunnen voorbereiden op een plek in de maatschappij. Dit alles betekent dat schoolleiders en leraren de ontwikkelingen in Den Haag moeten volgen, en zich bijvoorbeeld aan de hand van Onderwijs2032 een mening moeten vormen over goed onderwijs voor de toekomst.

Leven
Historisch besef reikt echter verder dan de ontstaansgeschiedenis van de school. Het is een way of life, zo leren we van C.S. Lewis. Het is een manier van in de tijd staan. Voor Lewis betekende dit: op een christelijke wijze in het heden staan. De vraag doet zich dan voor wat dit voor christelijk onderwijs betekent. Het antwoord op die vraag ligt voor het oprapen: de statuten verwijzen immers naar de Bijbel, en naar de gereformeerde belijdenis als samenvatting ervan. Historisch besef in christelijke zin leeft van de overtuiging dat deze wereld niet om ons draait, maar op God is gericht. En dat we in een lange keten van geslachten staan. Van mensen die elk in hun tijd waren geroepen om ernst te maken met het liefdegebod: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. En om gaven en talenten te besteden tot eer van God, tot heil van anderen en ten dienste van de samenleving. Nadenken over de toekomst van het onderwijs(curriculum) vraagt daarom boven alles om een open Bijbel. Daarbij is de gereformeerde belijdenis een prachtig instrument om elkaar te bevragen hoe wij vandaag in de tijd staan, en vooral: hoe wij en onze leerlingen tegenover de Heere God staan.

Devaluatie
In de context van de Westerse samenleving is zo’n onderneming echter wel tegennatuurlijk. Er zit namelijk een diepgewortelde devaluatie van het verleden. De Amerikaanse hoogleraar Carl R. Trueman brengt het probleem als volgt onder woorden: ‘Waarom zou ik de geschriften van gestorven blanke mensen uit het Engeland van de zeventiende eeuw serieus nemen, als ik een levende, Afro-Amerikaanse vrouw ben die woont in San Francisco, aan het begin van de 21e eeuw?’ (zie Carl. R. Trueman, The Creedal Imperative, Wheaton: Crossway 2012, 61). Meer expliciet geformuleerd naar christelijk onderwijs: waarom zouden we commitment hebben aan oude belijdenissen, om onze roeping ten aanzien van onderwijzen en leren te verwoorden? Die vraag leeft ook onder personeel op christelijk-reformatorische scholen. Het verleden is voor christenen echter altijd relevant. We zijn onderdeel van een lange christelijke traditie. De Anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams noemt de kerk een gemeenschap die iets bewaart vanuit het verleden. Daarbij gaat het niet om een set van waarheden of om een aantal gedragsregels, maar om de realiteit van de menswording van Christus (zie Rowan Williams, Why Study the Past? Grand Rapids: Eerdmans 2005, 91). Onze belijdenissen zijn ondenkbaar zonder Gods daden in de geschiedenis, in schepping en verlossing, in de zending van Zijn eigen Zoon in deze wereld. En die daden vragen om een geloofsantwoord. Daarbij is onderwijs een belangrijk hulpmiddel.

Belijdenis
Het is dus heilzaam om de omgang met het verleden te oefenen, door het lezen van de belijdenissen. En door onszelf de vraag te stellen of we het werkelijk met hoofd en hart mee belijden. Het verleden is in christelijk opzicht geen voltooid verleden tijd. Zo stellen de gereformeerde confessies ons voor de vraag hoe wij in het leven staan, en hoe wij voor Gods aangezicht staan. Nadruk op het belang van historisch bewustzijn is daarom meer dan een hang naar het verleden. Het komt voort uit de overtuiging dat de Heere God Zijn gang door de geschiedenis gaat, en dat we geroepen zijn om Zijn daden te gedenken en Hem op Zijn Woord te geloven. Die daden komen samen in de komst van Christus, en Zijn sterven en opstanding. Christelijk onderwijs verwijst immers in zijn naam naar de Naamgever: Christus. Zonder Hem geen christelijk onderwijs.

Retrieval
Het appel voor herbronning klinkt in het christelijk-reformatorisch onderwijs in Nederland. Dit pleidooi voor historisch bewustzijn is bedoeld als een aanmoediging om het wezenlijke gesprek met elkaar te voeren, in directies, in teamvergaderingen, maar evenzo op de drempel van je klas. De tijd lijkt er rijp voor. Niet alleen in het onderwijs trouwens, en niet alleen in Nederland. In Amerika is een beweging op gang gekomen van Theology as Retrieval. Daarbij gaat het om diezelfde vraag: wat hebben de christelijke bronnen uit het verleden ons te zeggen voor vandaag? Om dat laatste gaat het natuurlijk; wie echt historisch denkt, die kijkt niet alleen terug. Die zoekt naar de betekenis van de bronnen uit de traditie voor het heden. Die verbinding kun je niet altijd zomaar maken. Niet alle artikelen van de geloofsbelijdenis hebben direct betrekking op het onderwijs. Het gaat echter wel om een manier van leven. Wat in de tijd van de apostelen waarheid was, dat is het nu nog. Bij alle wisselingen van tijden en culturen verandert God niet. En ook in het jaar 2017, in Nederland, zijn wij geroepen om God te dienen en lief te hebben. Daarbij is het onderwijs een belangrijk middel in de handen van de Heilige Geest. We zijn er om kinderen voor te bereiden om hun plaats in de maatschappij in te nemen, maar daarin moet het verlangen doorklinken om voor hen een gids te zijn, onderweg naar Gods Koninkrijk.

Dinosaurus
Het christelijke onderwijs bewaart nog iets van wat Lewis de oud-westerse mens noemt. De mens die niet alleen voor vandaag en morgen leeft, maar die weet waar hij vandaan komt. In discussies rondom het bestaansrecht van christelijk onderwijs is dit een belangrijk punt. Lewis eindigde zijn oratie destijds met een aanmoediging en een waarschuwing: ‘Ik spreek niet slechts voor mijzelf, maar voor iedere Oud-Westerse mens die u verder nog zult ontmoeten, als ik zeg: gebruik die exemplaren zolang het nog kan. Reken niet op nog veel meer dinosaurussen.’ Voor christelijk onderwijs betekent dit: houd het besef levend dat we in een rijke traditie staan. Geef het door aan de volgende generatie leraren. En koester de liefde voor de traditie van de kerk der eeuwen, in het bijzonder van de belijdenis, als u die ontwaart bij jonge collega’s. Zij zijn immers op hun beurt geroepen om het toevertrouwde pand door te geven, want ook in het christelijke onderwijs hoeven we niet te rekenen op al te veel dinosaurussen.

Bespreken

Onderstaande vragen zijn bedoeld als handvatten om dit essay in groepsverband te bespreken.

  • In hoeverre speelt historisch denken voor u een rol in je lesgeven, en in je visie op christelijk onderwijs?
  • Welke betekenis heeft de belijdenis op uw school? Hoe zou de belijdenis u kunnen helpen om uw onderwijs echt christelijk te laten zijn?
  • Wat weet u van de idealen van de stichters van je school? Ga na hoe dit zich verhoudt tot uw eigen idealen.