Over dure schoolboeken en docenten die wel goed kunnen doceren, maar niet altijd lesmateriaal kunnen ontwikkelen.

Educatieve uitgeverijen: beeld en werkelijkheid

'Wij uitgevers zijn gewoon leermiddelontwikkelaars. Het beeld is ontstaan dat wij vooral verkopers zijn, maar dat klopt niet.' Het klinkt als een soort hartenkreet in het gesprek met John Arnold over educatieve uitgevers. Als uitgever kunstvakken bij ThiemeMeulenhoff weet Arnold wat er komt kijken om een goed leermiddel op de markt te zetten. De gemiddelde docent die voor het eerst een lesboek in z'n handen houdt om daar jarenlang mee te werken, heeft geen idee wat er allemaal passeerde tussen het eerste idee en het uitpakken van het boek. John Arnold wil het graag uitleggen, want er valt wat bij te stellen aan het beeld van de educatieve uitgever.

Tekst: H. (Henk) Vermeulen

Het verhaal van John Arnold is illustratief voor de educatieve uitgeverij. Of ze nu ThiemeMeulenhoff, Noordhoff of Driestar educatief heten, ze werken allemaal ongeveer op dezelfde manier. Het gaat om een combinatie van kennis en visie. Een uitgever die het idee heeft om een methode te gaan maken, moet de ins en outs van het betreffende vak kennen. Wat zijn de kerndoelen? Wat is het startniveau en wat het eindniveau? Hoeveel lesuren zijn er voor het vak beschikbaar?
‘Maar’, benadrukt John Arnold, ‘het gaat ook om visie. Zo’n ontwikkeltraject duurt twee tot drie jaar, dus je moet vooruit kunnen kijken en de ontwikkelingen bij zo’n vak kunnen inschatten.’ Hij is nog steeds trots op materiaal voor CKV en muziek waarmee TM haar nek uitstak en dat gelukkig door de markt enthousiast werd ontvangen. Dat is een kwestie van visie en als het aanslaat weet je dat je op het goede spoor zit.

Auteurs zoeken
Bij ThiemeMeulenhoff zijn de auteurs van het educatieve materiaal nagenoeg allemaal docenten. De uitgever kunstvakken vindt dat belangrijk. ‘Die koppeling met het werkveld moet er zijn, want het materiaal moet in de klas gewoon werken.’ Tegelijkertijd blijkt wel dat niet iedere docent geschikt is. Hoe goed iemand als docent ook is, het auteurschap vraagt andere competenties als het docentschap. Dat heeft weer met visie te maken. Arnold is vooral op zoek naar docenten ‘die iets vinden’: mensen die je in forums tegenkomt of in vakbladen. Mensen die bewust met hun vak omgaan. Dat zijn vaak mensen die ook als auteur kunnen optreden.

Klankborden
Overigens zijn die auteurs-docenten niet de enige link van de educatieve uitgeverijen met het werkveld. Na de eerste blauwdruk en een calculatie maakt John Arnold een concept en een uitgeefplan. Daarin worden al veel meer details uitgewerkt en soms betekent dat ook het schrijven van een proefhoofdstuk. Dat proefhoofdstuk komt er niet alleen in platte Word-tekst: het wordt compleet opgemaakt, want de lay-out is een wezenlijk onderdeel van het educatieve materiaal. In concept-, plan- én proefmateriaalfase, komen de toekomstige gebruikers volop in beeld. ‘Ik nodig mensen uit om over zo’n concept, plan en proefhoofdstuk te praten. We blijven in contact en stellen onze plannen bij als dat nodig is’, zegt Arnold.

Onderwijsconcept
Wellicht zou iemand verwachten dat er in die bijeenkomsten heftig gediscussieerd wordt over het achterliggende onderwijsconcept, maar dat valt mee (of tegen). Als John Arnold het woord visie in de mond neemt heeft hij het niet alleen over visie op onderwijsconcepten. Hij is daar heel nuchter in. ‘Wij ontwikkelen lesmateriaal voor eigen rekening en risico. Je houdt dus rekening met het grootste deel van de markt. Mijn visie is vooral dat een methode open moet zijn en zoveel mogelijk werk- en gebruiksmogelijkheden moet bieden, zodat een brede groep docenten ermee kan werken.’

Nog meer ICT
Om dat te bereiken, maken de uitgevers meer en meer gebruik van ICT. Dat lijkt een onomkeerbare ontwikkeling. Uitgevers hebben inmiddels miljoenen geïnvesteerd in platforms om bij alle methoden digitaal materiaal aan te kunnen bieden. John Arnold ziet daar allerlei voordelen. Die platforms kunnen extra werkvormen bieden en maken leren op afstand mogelijk. Zo kan de interactieve manier van aanbieden zelfs een remedie zijn tegen lesuitval en ophokuren. Arnold ziet al voor zich dat klassen opdrachten doen m.b.v. een assistent of dat leerlingen zelfstandiger zonder vakdocent aan het werk kunnen. En, last but not least, geeft het volgens hem de kans de schoolboeken dunner en goedkoper te maken.

Dure schoolboeken
Dat laatste is momenteel een hot item. Het beeld bestaat dat de uitgevers het onderwijs hebben opgezadeld met weliswaar prachtige, maar peperdure schoolboeken, die bovendien een levenscyclus van slechts een jaar of vier, vijf hebben. John Arnold ziet dat toch allemaal wat genuanceerder.
‘De educatieve uitgeverijen hebben in de afgelopen decennia misschien wel gemakkelijk hun geld verdiend, maar daarvoor zijn meer ‘schuldigen’ aan te wijzen. Denk maar aan de overheid. Op het moment dat die voor de basisvorming nieuwe kerndoelen vaststelt, betekent het dat er nieuwe schoolboeken nodig zijn. Hetzelfde geldt voor de leergebieden: als die worden ingesteld, moeten wij wel volgen. Er is ook de kant van de klant: docenten konden kiezen wat ze wilden, want de rekening kwam toch bij de ouders terecht. Bij verschillende vakken wilden de docenten het materiaal ook zo actueel mogelijk houden. En vergeet verder de boekhandel niet.’ Vervolgens rekent Arnold fijntjes voor dat de boekhandel bij verhuur aan school over 5 jaar 200% van de verkoopprijs ontvangt voor een boek dat voor 70% van de verkoopprijs is ingekocht…

Geen schoolboeken knippen/plakken
Steeds meer directies geven de docenten opdracht om zelf maar hun lesmateriaal te maken. De uitgever ziet het met zorg aan. ‘De kracht van een docent zit in het doceren. Dat is de kern van wat hij moet doen, daarvoor is hij opgeleid. Hij zal het leuk vinden om nieuwe dingen uit te zoeken en zelf iets toe te voegen om de leerlingen geïnteresseerd te krijgen, maar dat is nog niet hetzelfde als je eigen lesmateriaal ontwikkelen. Het zelf ontwikkelen leidt vaak tot kwaliteitsvermindering. We zijn nu nog niet in de situatie dat data en feiten in de schoolboeken niet kloppen, maar knippen, plakken, kopiëren en bezuinigen… daar worden de leermiddelen niet beter van’.
John Arnold ziet een weg die beter begaanbaar is: (groepen van) scholen die aankloppen bij een educatieve uitgever om samen lesmateriaal te ontwikkelen dat helemaal is toegesneden op de vraag van de scholen en docenten. ‘Dat moet eigenlijk meer gebeuren. Ik ontwikkel het liefst samen met de klant.’

Werkwijze Driestar educatief
Op de reformatorische VO-scholen wordt naast materiaal van de grote educatieve uitgeverijen ook lesmateriaal gebruikt dat ontwikkeld is door Driestar educatief. De werkwijze die daar gehanteerd wordt sluit aan op wat John Arnold vertelt, al zijn er kleine verschillen. Na een opdracht van het directieoverleg van de reformatorische VO-scholen volgt een globale marktverkenning. Daarna wordt een werkgroep van docenten onder leiding van een onderwijsadviseur samengesteld, die een leermiddelontwerp maakt. Dat zogenaamde LMO wordt voorgelegd aan docenten uit het veld, waarna het LMO met de reactie van de docenten wordt voorgelegd aan het DORVO. Pas op dat moment wordt definitief besloten om een bepaald leermiddel te gaan maken. Op dat moment ook geven de scholen die lid zijn van het directieoverleg aan of ze het te ontwikkelen leermiddel zullen gaan gebruiken.
In de ontwikkelfase die nu volgt wil ook Driestar educatief de docenten in beeld houden. Niet alleen zijn de auteurs, net als bij de andere educatieve uitgevers, voornamelijk docenten. Daarnaast worden regelmatig bijeenkomsten met meelezers uit de scholen georganiseerd, of wordt docenten gevraagd per mail te reageren op het materiaal dat ontwikkeld wordt.