Terug naar de homepage Zoeken Naar de contactpagina Druk deze pagina af
   
Vacatures op uw school toevoegen

Bepeinzen

Vroege Godsvreze (1)

Van Charles Haddon Spurgeon zijn relatief veel teksten over opvoeding en onderwijs bewaard. Ongetwijfeld komt dat, doordat Spurgeon zich sterk beijverd heeft voor het werk van zondagscholen. Spurgeon besteedt in onderstaande tekst aandacht aan de vroege Godsvreze van Obadja.

Ik, uw knecht nu, vrees den HEERE van mijn jonkheid af. 1 Koningen 18 : 12

Obadja was reeds vroom in zijn jeugd. Gelukkig zij, van wie dit ge­zegd kan worden! Hoe Obadja er toe kwam den Heere zo vroeg te die­nen weten wij niet. Wie hem tot den Heere leidde, wordt ons niet vermeld. Toch kunnen wij wel haast aannemen dat hij gelovige ouders had.

Wij kunnen er tamelijk zeker van zijn, wanneer wij aan zijn naam denken. Die is hem natuurlijk door zijn ouders gegeven werd Zij betekent: „dienstknecht des Heeren" . Ik geloof zeker dat dit een bewijs is voor de vroomheid van zijn ouders. In dagen dat de gelovigen overal vervolgd werden, en de naam van Jehova algemeen geminacht werd omdat de kalveren van Bethel en de beelden van Baäl overal opgericht werden, geloof ik niet, dat ongelovige ouders hun kind de naam van „dienstknecht van Jehova" zouden gegeven hebben, als zij zelf de Heere niet geëerd hadden. Zij zouden niet voor niets de op- en aanmerkingen van de hen omringende afgodendie­naars en de vijandschap van de aanzienlijken hebben uitge­lokt. In een tijd, dat namen om hun betekenis geko­zen werden, zouden zij hem eerder „kind van Baäl", of „dienstknecht van Kamos" hebben genoemd. De keuze van zo’n naam ver­raadt, dunkt mij, hun innige begeerte, dat hun zoon de Heere mocht leren dienen en nooit de knie zou bui­gen voor de afschuwelijke afgoden.

Hoe dit ook zij, het is buiten alle twijfel, dat duizenden christenen hun eerste neiging tot godsvrucht aan de lieflijke invloed van het huiselijk leven te dan­ken hebben. Hoevelen van ons hadden niet even goed Obadja kunnen heten, daar wij immers nauwelijks het levenslicht aanschouwd hadden, of onze ouders trachtten ons in de waarheid te leiden. Menige traan werd bij ons kinderbedje, onder het opzenden van een vurig ge­bed , geschreid en drukte ons het stempel voor het eeu­wige leven op het voorhoofd. Wij werden grootge­bracht in een omgeving, waar God gediend werd, en geen dag ging voorbij, dat wij niet werden aangespoord de Heere trouw te blijven en Hem vroeg te zoeken.

Vragen:

  1. Hoe verhoudt zich het vrezen van de Heere van zijn jeugd af aan tot de noodzaak van de kennis van de drie stukken uit onze Heidelbergse Catechismus?
  2. Hoe spreekt de schrijver over de ouders van Obadja in relatie tot de naamgeving?

Geschreven door C. (Cees) Dubbeld


Afkomstig uit: DRS 2010 - 1